Docent zijn is net als werken in een restaurant. In mijn klas verwachten sommige leerlingen een uitgebreid lopend buffet waarvan ze hun eten (leerstof) kunnen pakken en dit al zittend aan hun tafeltje tot zich kunnen nemen. Krijgen zij een voldaan gevoel? Nee, want passief leren werkt niet.
Ik geef de voorkeur aan a la carte en richt mijn rol het liefste in als ober. Dat betekent niet dat elke leerling op de manier wordt behandeld zoals zij dat willen – tja, je begrijpt dat dan het einde zoek is. Het houdt juist in dat ik de leerlingen geef wat ze nodig hebben. Met een mooi onderwijswoord heet dat ‘differentiëren’ en in de praktijk is dat ontzettend lastig.
Het liefst zou ik de hele klas actief aan het werk hebben, zodra ik een opdracht geef. Rustig met elkaar in overleg, zoals in een viersterren omgeving. Dus niet te luid. De ene leerling geniet ervan om zijn of haar brein aan het werk te zetten en lastige opgaven te ontcijferen. De andere leerling moet ik met enige chantage en onder tijdsdruk aan het werk zetten. En er soms nog naast blijven staan.
Het is gek dat er in mijn ‘restaurant’ ook af en toe een privé kapsalon ontstaat van meiden die opeens elkaars haar gaan doen in plaats van het practicum. Of een raar soort modeshow wanneer iedereen een labjas en labbril op moet doen. Chemistry fashion is geloof ik nog niet zo hip. En laat ik het niet hebben over tafelmanieren…
Het is interessant om je als docent af en toe af te vragen welke rol je wilt aannemen. Of wat je docentstijl is. En vooral welke docentstijl je eigenlijk wilt hebben. Deze zelfreflectie heeft mij de rol van chefkok gebracht. Ik bied mijn leerlingen de leerstof zo lekker mogelijk aan, soms in zijn geheel en soms in hapklare brokjes. En altijd met mijn eigen sausje erover.
Toch jammer dat je niet mag eten in een practicumlokaal…